geweldloosheid, waarheid

Tien mythes over vrede en geweld ontkracht

Mythe 1: Godsdienst is de belangrijkste oorzaak van oorlog
We gaan een aantal populaire stellingen over vrede en geweld eens van ditchterbij bekijken. En uiteraard moeten we met dit topic beginnen. Er gaat geen discussie over de actuele conflicten voorbij, of godsdienst komt ter sprake. En dan is al snel het oordeel geveld: de meeste oorlogen zijn veroorzaakt door godsdienst. Dat is een interessante stelling, want ‘de meeste’ kunnen we tellen. Gelukkig heeft iemand dit al voor ons gedaan. Cijfers die regelmatig te vinden zijn in opiniestukken verwijzen naar ‘The Encyclopedia of Wars’ (Charles Philips en Alen Axelrod), een lijvig werk dat alle gedocumenteerde oorlogen uit de geschreven geschiedenis bevat. Wat blijkt: uit de 1763 gevoerde oorlogen worden 123 als ‘religieuze oorlog’ gedocumenteerd. Dat is zo’n 7% van alle gevoerde oorlogen. Een bevredigend cijfer, want er bestáán religieuze oorlogen, maar blijkbaar ook niet zo veel als we afgaande op de publieke opinies moeten vermoeden.
Maar wat noemen we een religieuze oorlog, en mogen we godsdiensten enkel verantwoordelijk stellen voor de expliciete religieuze conflicten of gaat hun verantwoordelijkheid verder? Een terechte vraag die niet zo gemakkelijk te beantwoorden is. De betrokkenheid van de VS in Irak werd aan het begin soms gelardeerd met religieus taalgebruik (crucades), en de Amerikaanse troepen krijgen een pastorale begeleiding. Maar we zullen niet snel geneigd zijn om dit een religieuze oorlog te noemen. In de Spaanse Burgeroorlog was de betrokkenheid van de kerk al wat groter. De rooms-katholieke kerk werd geviseerd door bepaalde republikeinse troepen, en omgekeerd verleende de rooms-katholieke kerk ideologische steun de Franco-troepen. Maar hoewel het een reële en actieve breuklijn was, was het zeker niet de enige en laat staan de hoofdzakelijke. In eerste instantie ging de burgeroorlog over het behoudt van de Spaanse republiek. In dergelijke conflicten kunnen we stellen dat godsdienst een rol van verantwoordelijkheid draagt. Maar als we deze nuances in kaart brengen, dan blijkt al snel dat het aantal écht zuivere godsdienstoorlogen nog lager ligt dan The Encyplopedia of Wars zou suggereren.

 

Advertisements
Standard
geweldloosheid, waarheid

Werkt geweldloosheid?

Als pacifist krijg je vaak te horen dat geweldloosheid niet werkt. Of dat het enkel werkt binnen democratische samenlevingen, maar zeker niet om een gewelddadige dictator te verdrijven. Tot voor kort was er hier ook geen wetenschappelijk onderzoek naar verricht, en werd de discussie voornamelijk gestuurd door ideologie en buikgevoel. De jonge Amerikaanse onderzoekster Erica Chenoweth bracht hier verandering in.

Samen met haar collega bracht ze alle opstanden groter dan 1000 mensen in kaart, die zich tussen 1900 en 2006 hebben afgespeeld. Hierop heeft ze een statistisch onderzoek uitgevoerd, en de resultaten verrasten haar. Van alle gewapende opstanden, waren er slechts 26% succesvol. Van de ongewapende opstanden bleken er 53% succesvol te zijn. Bovendien bleek dat de ongewapende opstanden meer kans hadden om democratische instituten voort te brengen, zowel de geslaagde als de niet geslaagde opstanden.

Bij aanvang van haar onderzoek, vooronderstelde Chenoweth dat de successen omgekeerd zouden liggen. Daarnaast vooronderstelde ze ook dat de gewapende opstanden altijd of vaak vooraf zouden zijn gegaan door mislukte, ongewapende opstanden. dat laatste bleek niet het geval te zijn. het meest verrassend was echter de vaststelling dat door de jaren heen, ongewapende opstanden aan succes leken te winnen.

Met haar onderzoek toont ze niet aan dat geweldloosheid altijd werkt. Maar het maakt wel empirisch duidelijk dat geweldloos verzet succesvoller is. Uit case studies bleek dat hier een goede verklaring voor te vinden is. Gewapend verzet heeft nood aan fysiek sterke, goed getrainde mensen, die ook nog eens bereid zijn om in harde omstandigheden, in bergen en jungles, te overleven. Bovendien wil ze haar plannen zo veel mogelijk geheim houden. Terwijl geweld exclusiviteit in de hand werkt, kan geweldloos verzet sneller aan draagvlak winnen. Je hebt geen speciale training nodig, iedereen kan eraan deelnemen. Bovendien vindt het plaats op de straten en pleinen die iedereen kent.  Wil geweldloos verzet succesvol zijn, dan moet het slechts 2,5 tot 5% van de bevolking weten te mobiliseren. Met dit aantal zijn er voldoende connecties met alle lagen van de bevolking, ook van leger en overheid, om voldoende psychologische impact te hebben. Een militair gaat immers tweemaal nadenken alvorens hij schiet, als hij weet dat er een neef of tante in het volk meeloopt.

Het onderzoek van Chenoweth geeft ons interessante inzichten in de internationale politiek, waar we als vredesactivisten mee aan de slag kunnen gaan. In de eerste plaats is het de moeite waard om aandacht te blijven vragen voor geweldloosheid. In het onderwijs kunnen we meer aandacht vragen voor geweldloos verzet dan voor oorlogen in de lessen geschiedenis. Waarom kent bijvoorbeeld iedereen het gewapend verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, en niet ‘de staking van de 100.000‘? En waarom zoomt de media altijd in op gewapende strijders zoals het Vrije Syrische Leger, en praktisch nooit op de sociale verdediging zoals dat van de Witte Helmen? Maar de belangrijkste les is misschien wel deze: gewapende groepen hebben het meest van doen met geld- en wapenleveringen, maar kosten stukken van mensen. Geweldloos verzet heeft minder baat met geld, en is meer geholpen met media coverage. Via sociale media kunnen wij als individuele vredesactivisten gemakkelijk de boodschap van deze groepen verspreiden, om zo democratische ontwikkelingen mede tot stand te brengen.

Standard
Jezelf, Spiritualiteit

“wellicht een moderne vermomde heks” zei de politie

Ik deed mijn vormsel voor de cadeautjes, dus liet mij tijdens mijn hogere studies uit het doopregister schrappen. Ik vond het belangrijker om christelijke waarden in praktijk uit te dragen, dan mij bezig te houden met de christelijke spiritualiteit.

Daar kwam vorig jaar onverwacht verandering in.

De laatste jaren heb ik tamelijk veel op mijn deksel gekregen. Kanker op 24 jarige leeftijd gevolgd door: relatiebreuk, familiale problemen, financiële problemen, jonge vrienden die zelfmoord plegen, doodgaan ten gevolgen van de kankerbehandeling of met ernstige verslavingen kampen en tot slot een gruwelijke angst om te hervallen.

Volgens de goegemeente moest ik blij zijn dat ik nog leefde, maar ik wist niet hoe ik blij moest zijn.

Ik heb toen verschillende dingen geprobeerd. Een reis naar Okinawa maken, frequentietherapie, supplementen nemen, cannabisolie uitproberen, new-age boeken lezen, ademhalingstechnieken leren. In diezelfde zoektocht ben ik bij het Augustijnenklooster in Gent terecht gekomen. De gezellige chaos van de internationale studenten in priesteropleiding onder één architecturaal indrukwekkend dak met oude, wijze paters sprak mij best aan.

“Laat ik het een kans geven”, dacht ik bij mijzelf, “per slot van rekening ben ik die voortdurend afbrekende maar niets opbouwende ‘vrijzinnigen’ kotsbeu.

Na ongeveer anderhalf jaar Augustinus te bestuderen, ben ik sinds vorige week religieus dakloos.

Hoewel de Augustijnen zelf problemen met de politie hebben, zijn er bepaalde stemmen uit het klooster die vorige week de politie op mij hebben afgestuurd. Tot voor kort dacht ik dat de politie des duivels was, maar het bleken vriendelijke mannen te zijn, die tijd namen om naar mijn verhalen over wat het betekent om een chronisch zieke jongeren te zijn, te luisteren. Ze moesten lachen met mijn schelmenstreken, schreven in mijn verslag “dat ik wellicht een vermomde moderne heks was”, maar vertelden mij om niet meer naar het klooster te gaan. Biechten dat kon ik ook tegen hen, op café.

De goegemeente van het klooster verspreidt momenteel geruchten dat ik een psychose heb en dat ik in een psychiatrische instelling zit.

Wat sommige mensen niet goed begrijpen, is dat ik geen tijd heb om een “hypochristen” te zijn.

– Michèle Pieters –

Standard
Spiritualiteit, verbondenheid

De taal van cirkels (deel 1)

Spiritualiteit wordt vaak als een innerlijke en individuele oefening beschouwd. Maar dan vergeten we dat we steeds onder invloed staan van anderen. ook bij spiritualiteit is dat het geval. Ik vergelijk dit graag hoe spinnen worden beschreven in jeugdboeken over het dierenrijk. Een spin wordt dan afgebeeld en het hele lichaam van het dier wordt beschreven. Maar met de afbeelding vergeten we dat het web minstens even belangrijk is voor dit dier. En op dezelfde wijze kunnen wij als menselijke dieren ook niet leven zonder onze kleren, gebouwen, symbolen en taal. Als we een spiritualiteit willen begrijpen, dan moeten we om diezelfde reden ook kijken naar de uiterlijke manier waarop ze wordt beoefend en gedeeld.

Laat me twee eenvoudige figuren gebruiken om religies en spirituele tradities in beeld te brengen: de piramide en de cirkel. De piramide kent een top en wordt breder naar de basis. De piramide kan terugkomen als berg, als tempel of als begraafplaats. Maar ook minder zichtbaar, als een hiërarchische organisatie. De piramide benadrukt dat iets belangrijk is, dat het hoger staat. In een piramidestructuur zullen de mensen aan de top hun best doen de anderen te overtuigen dat ze een waarheid of een bijzondere vaardigheid hebben, waar de anderen aan de basis niet zonder kunnen. De top wordt zo als een gemeenschappelijk goed beschouwd, maar het is wel een goed waar de één al dichter bij staat dan de ander.

Een tweede figuur is de cirkel. Vrienden die samen komen om te eten of te praten, gaan spontaan in een cirkel zitten. Het is een vorm waarin iedereen gelijk is, en vrijuit kan spreken. Ook de cirkel komt in vele religies terug. Denk bijvoorbeeld aan de cirkels die de moslims lopen rond de Ka’aba in Mekka. Als je jezelf een beeld wil vormen over een religieuze of spirituele traditie, kan je jezelf altijd eens afvragen welke piramides en cirkels erin werkzaam zijn, zichtbaar en onzichtbaar.

Samenkomen in een cirkel van stilte is een bijzondere ervaring. Het vraagt in het begin wel wat geduld en gewenning. De ene is er al sneller mee weg dan de ander. Maar de stilte is er werkelijk gedeeld, je bent er samen voor verantwoordelijk. En op die manier schep je een band van vertrouwen met elkaar. Jij voedt de stilte voor anderen, en op haar beurt voedt de stilte jou. Je komt er tot rust, en kan luisteren naar wat er werkelijk in jou gebeurt. Dat gevoel van vertrouwen kan je de kracht geven om diep in jezelf te graven, en te delen wat er in je leeft.

Standard
Spiritualiteit, verbondenheid

Ontstaan en evolutie van het quakerisme

In de 17e eeuw ging Engeland gebukt onder een bloedige burgeroorlog. Door een harde belastingspolitiek, was een definitief vertrouwensbreuk ontstaan tussen koning en parlement. De kloof tussen beiden werd verder uitgediept door religieuze onenigheden. Hendrik VIII had een eeuw eerder een begin genomen met wat later de Anglicaanse kerk zou worden genoemd. Sommigen vonden deze hervorming te vergaand, en zochten weer aansluiting met de rooms-katholieke kerk. Anderen wouden dan weer naar voorbeeld van de calvinisten, de hervormingen nog verder doorduwen. Deze puriteinen waren dominant in het Engelse parlement, en stonden voor een sobere kerk, ontdaan van goud en gezang. Daarnaast waren er nog heel wat andere stromingen aanwezig, waaronder de presbyterianen, maar ook een heel aantal kleinere groeperingen die ondertussen niet meer bestaan.

In die tijd waren kerk en staat wederzijds afhankelijk. het kerkelijk gezag verleende autoriteit aan de koning, en omgekeerd keek de overheid mee toe op de orthodoxie van het geloof. In de context van de Engelse burgeroorlog ontbrak echter het gezag van beiden. Geen gemeenschappelijke kerk om uit te maken wie er mocht heersen, en geen stabiele overheid die kon beslissen welke versie van het geloof zich de correcte mocht noemen. De Engelsen waren voor een groot deel op het eigen geweten aangewezen. Met het grote risico natuurlijk dat je, door politieke verschuivingen, plots aan de verliezende kant kon staan. De bijbel kon ook geen uitsluitsel geven. De protestantse terugkeer naar de Schrift had ondertussen duidelijk gemaakt dat het boek op verschillende wijze kon worden geïnterpreteerd.

In die context ontstond er een beweging die de Seekers werd genoemd. Deze mensen vormende geen eigen kerk, maar probeerden een soort neutrale, afwachtende houding aan te nemen. Ze kwamen samen om in stilte te bidden. Predikanten van verschillende denominaties waren er welkom om hun visie op het geloof te verkondigen. Vanuit deze Seekersbeweging zou George Fox een revolutionaire opvatting van het christelijk geloof lanceren. De kern van het geloof lag volgens hem niet in de orthodoxie, maar in de ervaring. De stille bijeenkomsten van de Seekers zouden ontmoetingen worden waar mensen zochten God op een directe wijze te ervaren. Doordat het gezag niet meer bij de orthodoxie lag maar bij de persoonlijke ervaring, dienden ze niet meer te wachten op rondreizende predikanten maar hadden ze het recht om voor zichzelf te spreken. Als ze het woord namen, zouden ze hun lichaam voelen trillen. Hierdoor kreeg de beweging de naam ‘quakers’ toebedeeld, dat ze al snel als geuzennaam gingen gebruiken.

Eén van de voornaamste protagonisten van deze vroege quakerbeweging was Margaret Fell, die het recht van vrouwen om voor de kerkgemeenschap te spreken sterk bepleitte. Sommige auteurs zien haar daarom als een vroege vertegenwoordigster van het moderne feminisme. Daarnaast heeft ze zich ook sterk ingezet voor gevangenishervormingen, waarmee een belangrijke maatschappelijke inzet van de quakerbeweging een aanvang nam. In de tweede generatie zal William Penn een prominente rol spelen. Hij zou de Amerikaanse staat Pennsylvania stichten, wat door haar godsdienstvrijheid snel een toevluchtsoord werd voor andere radicale reformistische groeperingen zoals de Amish.

Een groot deel van de quakers hebben snel vanwege brutale vervolgingen Engeland ontvlucht. Veel van hen zijn in de Engelse kolonies terecht gekomen, die later de Verenigde Staten zouden worden. In de 19e eeuw zijn een groot aantal van deze quakergemeenschappen onder invloed komen te staan van het evangelicalisme. Uit die invloed zijn de evangelical quakers ontstaan, die in organisatie en bijeenkomsten belangrijke elementen uit het evangelicalisme hebben overgenomen, zoals voorgangers en gezang. Een tegenbeweging heeft de conservative quakers tot stand gebracht. Conservative slaat in dit geval niet op hun normen en waarden, maar op het behoud van de ‘ongeprogrammeerde ontmoeting’ (waarbij men dus in een cirkel of vierkant tegenover elkaar zit, stilte maakt, en wie ‘zich bewogen voelt’ om te spreken het woord mag nemen.) In de twintigste eeuw zijn een aantal van de Noord-Amerikaanse gemeenschappen en de gemeenschappen in het Verenigd Koninkrijk verder geëvolueerd naar het liberal quakerism (vrijzinnig quakerisme). Hierin zijn de banden met het christelijk geloof niet doorgeknipt, maar is er wel meer ruimte voor de eigen ervaringen en niet-christelijke invloeden.

Standard
Jezelf, Spiritualiteit

A Blues Sensibility

Je kan onmogelijk over spiritualiteit spreken zonder persoonlijk betrokken te zijn. Iedereen heeft zijn eigen verhaal. Mijn verhaal begint waarschijnlijk met de blues. Ik was ongeveer 14 toen ik de blues leerde spelen. Slechts drie akkoorden, vijf tonen en een bluenote. Eenvoudiger kan muziek niet worden. Maar de combinatie van die paar elementen is zo krachtig, dat ik uren lang hierop kon improviseren. En daar zat ik dan, als veertienjarige, aan de keukentafel. Verdiept in mijn improvisatie, zoekend naar die ene melodie, die ene noot die moét worden gespeeld.

Doe jezelf een plezier en luister eens naar de oude blues. En dan bedoel ik de blues van een Skip James, Blind Willie McTell, John Lee Hooker, Lightnin’ Hopkins, … Laat me je een concrete luistertip geven: ‘Dark was the Night, Cold was the Ground’ van Blind Willie Johnson. Eén man, één gitaar. Er is geen tekst te horen, enkel het geneurie van een klagelijke stem. Maar wat de man wil uitdrukken, dringt door tot merg en been. Je voelt bijna de kou door je aders stromen, de eenzaamheid van die nacht.

Als je naar deze blues luistert, mag je één ding opvallen. Eén stem, één gitaar, geen drum. En toch voelt je het ritme door de muziek klinken. Je kan het niet laten om je hoofd te bewegen en je voet te stampen. Het werd de zwarte slaven onmogelijk gemaakt om hun eigen cultuur te beleven. De drum, hét instrument van het Afrikaanse continent, was verboden. De slaven improviseerden met handgeklap, een gevonden snaar die ze tussen twee nagels spanden, en later een gitaar die ze goedkoop op de kop konden tikken. En toch zijn ze erin geslaagd om het ritme in de muziek levendig te houden. Uit de afwezigheid van de drum is een geheel nieuwe sound kunnen ontstaan.

Dit is wat de Amerikaanse filosoof en activist Cornel West de Blues Sensibility noemt: In het licht van persoonlijke tragedies toch je eigen stem vinden. Mijn tragedies zijn niet te vergelijken met dat van een zwarte slaaf. Maar de blues gaat ook om de ruzie met je vrouw, de huur die je niet kan betalen, je baas die je de keel uithangt, de dood van een geliefde. En daarmee raakt het de diepste kern van elk menselijk bestaan.

In de blues is er een gezegde: ‘Gospel bidt tot God, de Blues bidt tot de mens. De ene bidt om verlossing, de ander om gewoon te mogen zijn.’ Misschien is dit ook gewoon de essentie van spiritualiteit. Tot stilte komen om je stem te vinden. Je woorden wegen. En als je lichaam mee beweegt op de gedachte,  ze loslaten in de diepte. Hopende dat ze ooit ergens zullen aankomen.

– Isfried Rodeyns-

Standard